Taboe 1 Ik ben zo'n fantastische docent

Noot van Fred Vogels
Dit verhaal vertel ik na, in de ik-vorm en met eigen woorden. Maar het verhaal is afkomstig van een van mijn vroegere docenten en berust op feiten. Ik vertel dit verhaal ter illustratie van – naar mijn opvatting – één van de taboes (onbespreekbaar) in de sector. Het is aan de lezer om te duiden of er inderdaad sprake is van een taboe. Ben benieuwd.

Vioolles
Daar stond hij ineens in mijn lokaal. Een forse man, behangen met gouden kettingen en dito ringen aan de vingers. Aan een van die vingers had hij ook een kleine jongen vast die voor zijn lengte een veel te grote vioolkist droeg. Zijn vraag klonk meer als en bevel: leer mijn jongen noten lezen en ze te spelen op deze viool. Na de gebruikelijke procedures werd deze jongen mijn leerling. Het was zeker geen voorbeeldige leerling. Veel geploeter om de viool aan te strijken op de manier zoals ik het wilde en hij had al helemaal geen zin om de noten zoals ze in het muziekboekje stonden op de juiste wijze te spelen op de viool. Maanden tobden we verder, de lessen waren moeizaam. Hoe meer ik probeerde mijn jarenlange ervaring als viooldocent op deze jongeman te projecteren, hoe slechter het ging met hem, met mij.


Na ongeveer een jaar stond hij er weer. Haast dreigender door zijn immer imposante gestalte en nog grotere hoed, wetende dat de resultaten met zijn jongen nu niet echt geweldig waren. Ik overwoog deze man te adviseren om er maar mee te stoppen met de vioollessen van zijn zoon. Ik kreeg de kans niet want de man zei mij dat zijn jongen moest voorspelen. Ik probeerde nog voorzichtig uit te leggen dat daarvoor voorspeelavonden werden georganiseerd, maar dat deze leerling er zeker nog niet aan toe was. De man zei in korte bewoordingen dat zijn zoon niet zou voorspelen op de muziekschool maar bij hem thuis. En ik, als docent, moest daar bij zijn. Hij gaf me een papiertje met het adres en de dag en tijd waarop ik geacht werd aanwezig te zijn. Ik probeerde maar niet tegen te sputteren gezien zijn immer groter wordende postuur.


Die avond kwam ik bij het opgegeven adres. Het bleek een woonwagenkamp te zijn. Mijn diepe respect voor de omvang van de man sloeg om in angst bij het zien van de plek waar ik de rest van de avond zou moeten doorbrengen. Ik vermande me, er was geen weg terug meer.


Mijn leerling pakte de viool vast op een manier zoals ik het hem niet geleerd had. Ik zette me schrap, bij de herinnering hoe hij de laatste lessen had gekrast op zijn viool en hij telkens de notennamen weer door elkaar haalde. Nu zou het laatste restje hoop op resultaat van mijn jaar vioolles geven worden ontmaskert.


Tot mijn verbazing schoven ook andere violisten aan met dezelfde merkwaardige houding waarmee ze hun viool vasthielden. Ze begonnen samen te spelen. De muziek die ik hoorde van mijn leerling grensde aan het ongelooflijke. Positiespel waar ik normaalgesproken pas na jaren aan toe zou komen met een getalenteerde leerlingen werd hier met gemak getoond. Met zijn rappe vingertjes speelde hij imitaties van kwetterende vogeltjes in de "eeuwige sneeuw" van de viool. De ritmische melodieën spatten uit dezelfde viool waar ik een jaar lang uitsluitend oorfolterende geluiden uit te voorschijn heb horen komen.

Die avond luisterde ik naar een zeer bekende zigeunerfamilie bij wie de muziek door en met het hart wordt doorgegeven, zoals een kind leert lopen, zijn eerste woordjes spreekt.

Vanaf die avond stond ik verbijsterd weer met beide voeten op de grond, met vragen over al mijn methodische, didactische en pedagogische bagage en vooral over mijzelf.